| Index | ||||||
|
||||||
| Voorbeeldvis | |
![]() |
|
| Voor de herkenning van vissen word naar een aantal zaken gekeken; De bekdraden, de stand van de bek, het aantal schubben op de zijlijn en de vinnen. | |
| 1 | De bekdraden; Het bezit van bekdraden is een belangrijk kenmerk, Vooral het aantal bekdraden en de lengte ervan, helpen mee om een vissoort snel op naam te brengen. Tot de bekdraden worden gerekend alle aanhangsels naast, op en onder de bek. |
| 2 | De stand van de bek; Er zijn drie standen te onderscheiden: • bovenstandig: de bek wijst naar boven • eindstandig: de bek wijst naar voren • onderstandig: de bek wijst naar beneden |
| 3 | Het aantal schubben op de zijlijn; De schubben op de zijlijn zijn van de andere schubben te onderscheiden, doordat het lijkt alsof er een klein, horizontaal streepje op staat. Om het aantal schubben op de zijlijn te bepalen, moeten alle schubben van de kop tot aan de staartvin worden geteld. |
| 4 | Aantal, vorm en plaats van de rugvin(nen); Een aantal vissoorten heeft twee rugvinnen, die al dan niet aanéén gegroeid zijn. Bij deze soorten voelt de voorste rugvin vaak stekelig aan Bij enkele soorten is de achterste rugvin zeer lang. Ook de vorm van een rugvin is vaak een belangrijk kenmerk, deze is dan bolrond of hol. |
| 5 | De vetvin; Tussen de rug- en staartvin komt bij een aantal vissoorten een kleine vin voor (de vetvin). |
| 6 | Vorm en plaats van de anaalvin; Van een aantal vissoorten is de anaalvin hol ingesneden Bij enkele andere soorten is de anaalvin juist bolrond van vorm, Sommige soorten bezitten een zeer lange anaalvin. |